Skip over navigation | Sla menu over

Waarom gesteund?

26 april 2017: Bonnefantenmuseum presenteert een 18de-eeuwse zilveren drie-kranen kan van Joannes l'Herminotte

Waarom gesteund door de Vereniging Rembrandt: In de tweede helft van de achttiende eeuw kende Maastricht een culturele heropleving die goed is terug te zien in de productie van luxe zilvergoederen. Deze productie stond bekend om zijn hoge kwaliteit en trok klanten tot ver buiten de eigen regio. Joannes l’Herminotte gold als een van de vooraanstaande Maastrichtse zilversmeden uit die tijd die vooral zilver produceerde in de meer uitbundige Luikse stijl. Voor de drie-kranen kan koos l’Herminotte er echter voor de Luikse stijl te combineren met de meer ingetogen Hollandse stijl waardoor deze zeldzame kraankan de uiterst complexe geografische, culturele en politieke positie van Maastricht in de achttiende eeuw toont.

De aankoop werd mede mogelijk gemaakt door de Vereniging Rembrandt, mede dankzij haar Themafonds Zilver.

Samenstelling: Lars Hendrikman, conservator oude kunst, Bonnefantenmuseum

Joannes Andreas Gerardus l'Herminotte (1732-1802)

1758-60

Drie-kranen kan

Zilver, 30.8 cm (hoogte)

Bonnefantenmuseum Maastricht, aangekocht met steun van de Vereniging Rembrandt in 2017.

Typisch voor Maastricht, en daarmee een aanwinst voor de Collectie Nederland, is dat uitgerekend Joannes l’Herminotte een pronkstuk smeedde op het snijvlak van beide dominante stijlen, Luiks en Haags. Daarmee is de grote kan pars pro toto voor een reeks objecten die duidelijk de invloed tonen van beide artistieke tradities. De kan is zodoende tevens de belichaming van de uiterst complexe geografische, culturele en politieke positie die Maastricht in de achttiende eeuw innam en de uitzonderlijke rol die de stad speelde in de finale tot stand koming van het Koninkrijk der Nederlanden.
De kan is behalve van de gebruikelijke merktekens (stadskeur, meesterteken, jaarletter) ook voorzien van de initialen “EDH”. Deze behoren zeker niet toe aan de maker maar meest waarschijnlijk aan een vroegere eigenaar, mogelijk zelfs de eerste eigenaar. Het Bonnefantenmuseum onderzoekt momenteel de “eigenaar” van deze initialen.

Drie-kranen kan

Jan van Gendt (1688-1768)

1734-36

Mokkakan

Zilver, 21 cm (hoogte)

Bonnefantenmuseum Maastricht

De sobere meer Haagse stijl, zoals die ook in Maastricht werd beoefend door bijvoorbeeld Jan van Gendt, appelleerde sterk aan de regentenklasse. Zij legden, met hun Haagse connecties, en duidelijke voorkeur aan de dag voor sobere en gladde objecten en juist weinig decoratie.  Bij de geboren en getogen Maastrichtenaars konden de sobere afwerking en bolle wanden van de Haagse stijl op weinig bijval rekenen. Zij beschouwden dergelijk werk als onaf.
Illustratief is deze mokkakan. De kan draagt het wapen van een telg uit de adellijke familie Van Randwijck. Mogelijk betreft het Frans Steven Carel baron van Randwijck (1697-1785) die luitenant-kolonel was in het Staatse leger, en vanaf 1734 in Maastricht gelegerd was. In 1742 zag hij toe op de aanleg van het bastion dat zijn naam zou dragen: het Randwijckbastion, gelegen aan de oostzijde van de Maas op de plaats die nu de wijk Randwijck is.

Mokkakan

Onbekende zilversmid

voor 1451

Reliekarm van St. Thomas

Zilver, 89 cm (hoogte)

Schatkamer van de St. Servaas, Maastricht

Van de twee kapittels binnen de Maastrichtse stadsmuren was vooral dat van St. Servaas erg rijk. Haar schatkamer gold (en geldt) als een van de opzienbarendste van
West-Europa en omvat onder andere rijk versierde reliekhouders. De zilveren Arm van St. Thomas dateert van vóór 1451 en is het oudste zilveren object dat is voorzien van de Maastrichtse stadskeur, de vijfpuntige ster. In 1520 beschreef kanunnik Mattheus Herbenus de arm en merkte op dat deze “kort voor onze tijd op waardige wijze werd versierd”. Daarmee bedoelde Herbenus de tijd voor hij leefde, dus kort vóór 1451.
De katholieke kerk zou door de eeuwen heen een dominante factor blijven, ook als opdrachtgever voor zilversmeedwerk. De Hervormde predikant Ludovicus merkte in de zeventiende eeuw op dat Maastricht “seer diep verloopen in ’t pausdom” was. Veel van wat resteert van het religieus zilversmeedwerk wordt nog bewaard op de oorspronkelijke locaties, veelal parochies in Zuid-Limburg.

Reliekarm van St. Thomas

Frerick Halsema (1682-1767)

1710-11

Drie-kranen kan

Zilver, 46 cm (hoogte)

Groninger Museum, aangekocht met steun van de Vereniging Rembrandt in 1984.

Anders dan in Maastricht was de kranenkan in Noord-Nederland een gangbaar artikel, dat in vele tientallen werd vervaardigd, met uiteraard verschillen in omvang, afwerking en kwaliteit. Tot de meest aansprekende en vroegste voorbeelden uit Groningen behoort het exemplaar van Frerick Halsema, dat ook voorzien is van drie kranen. Sommige van de samenstellende delen zijn gegoten, andere gedreven en de zogenaamde cut-card techniek die alle zes panelen van het lichaam bedekt is opmerkelijk. De panelen zijn symmetrisch doch onderling steeds verschillend en de kranen zijn uitgevoerd als dolfijnen, die door putti bereden worden.
Illustratief voor de migratie van decoratieve motieven, en daarmee van de exacte geografische plaatsing van dergelijke objecten op basis van stijl alleen, is het feit dat de kan voorheen als Zuid-Duits werd beschouwd. Pas toen het werk zich in Engeland in de kunsthandel ophield werd het herkend als Gronings, en voor het Groninger Museum verworven.

Drie-kranen kan

François Hourdoucq (Nijvel 1746 – Maastricht 1824)

1788-92

Terrine

Foto: Albertine Dijkema

Zilver

Even zeldzaam als kranenkannen zijn grote terrines van Maastrichtse makelij. Er zijn er slechts twee overgeleverd, beide uit het einde van de achttiende eeuw. De jongste van de twee werd gemaakt door François Hourdoucq in 1788-92 en is gemaakt volgens de toen al wat gedateerde Lodewijk XV stijl. De bewerkte pootjes en geschulpte handvatten zijn typische stijlkenmerken. De tordering is bij uitstek een Maastrichts stijlkenmerk, al werd het geadopteerd uit zuidelijker centra zoals Luik en Augsburg.

Terrine

Mathias Soiron (1748-1834)

1785

Huis Soiron

De schoonzoon van zilversmid Joannes l’Herminotte,  Mathias Soiron (1748-1834), was architect, interieurontwerper, stucwerker en tuinarchitect. Zijn ontwerpen waren geliefd in de stedendriehoek Maastricht-Aken-Luik, en vooral als stadsbouwmeester van Maastricht heeft hij zijn stempel op de heropleving van de stad kunnen drukken. In het laatste kwart van de achttiende eeuw verschenen vele neoclassicistische scheppingen in de typisch Luikse variant, zoals de vergroting van het Gouvernement (1777), De verbouwing van de Jezuïetenkerk tot theater (de nu nog bestaande Bonbonnière, 1786), en het Militair Wachthuis, eveneens in 1786.

Huis Soiron

Mathias Soiron (1748-1834)

1785

Huis Soiron (interieur)

In 1785 kreeg Mathias Soiron van zijn broers Guillaume en André – beiden kanunnik van het welgestelde Kapittel van St. Servaas – de opdracht een stadspaleis voor hen beiden te verzorgen. Ook hier volgde Soiron het Luikse model met een centrale inrijpoort in het midden, de prestigieuze vertrekken links en het trappenhuis en de dienstvertrekken rechts. Mathias droeg zorg voor het exterieur én interieur, dus ook voor de rijke stucco decoratie en het houtsnijwerk.
Mathias Soiron beleefde zijn oude dag met Sophia Elisabeth L'Herminotte, dochter van Joannes, op het landgoed Sint Antoniusbank (Bemelen) net buiten Maastricht.

Huis Soiron (interieur)

Gerlach Jan van Gendt (1724-1804)

1780-82

Suikervaas

Zilver

Bonnefantenmuseum Maastricht (langdurig bruikleen van het Limburgs Geschiedkundig en Oudheidkundig Genootschap)

In de achttiende eeuw werd bij de luxe-artikelen koffie en thee, kandijsuiker of gekonfijte vruchten gepresenteerd. Deze werden gepresenteerd in een zogenaamde suikervaas, bestaande uit een kelk op een voet waaraan aan de buitenzijde lepeltjes konden worden gehangen. Typisch voor Maastricht is dat dergelijke vazen op een geïntegreerd dienblaadje of tableautje werden gemonteerd. Mogelijk is dit gebruik ingegeven om te zorgen dat de kleverige lepeltjes niet zouden lekken op tafel.
De suggestie dat de vaasjes ook voor gekonfijte vruchtjes werden gebruikte is afgeleid uit sommige van de bijbehorende lepeltjes. Deze waren aan de bovenkant van de steel voorzien van vorkjes, zodat de gasten zowel de kandij als de vruchten konden nemen zonder plakkerige vingers te krijgen.

Suikervaas
← Ga terug