Skip over navigation | Sla menu over

Waarom gesteund?

26 juli 2012: Museum Catharijneconvent verwerft twee portretten van Cornelis Jonson van Ceulen

 

Waarom gesteund door de Vereniging Rembrandt: De geportretteerden, een predikant van de Nederlandse kerk in Londen en zijn echtgenote, werden vastgelegd door Cornelis Jonson van Ceulen, een Engelse schilder met wortels in de Lage Landen. Van zijn hand bevinden zich tegenwoordig nog ruim twintig schilderijen in Nederlandse musea. De portretten van het echtpaar Thielen-De Fraeye zijn de eerste aanwinsten voor het Nederlands openbaar kunstbezit uit Jonson van Ceulens vijfentwintigjarige Engelse carrière, van ca. 1618 tot 1643. Dit is van belang omdat hij in Engeland, voor de komst van Anthonie van Dyck naar Londen in 1632, een voorname rol vervulde bij de ontwikkeling van de portretschilderkunst. Hij wordt bovendien beschouwd als de eerste Engelse schilder die een substantiëel aantal gesigneerde werken naliet, waardoor zijn oeuvre en de ontwikkeling daarbinnen relatief goed is te overzien.

Deze aankoop is mede mogelijk gemaakt door het BankGiro Loterij Aankoopfonds van de Vereniging Rembrandt.

Cornelis Jonson van Ceulen

Londen, 1593 – Utrecht, 1661

Portretten van het echtpaar Thielen-De Fraeye, 1634

Olieverf op paneel, 2x 78,7 x 62,7 cm

Collectie Museum Catharijneconvent

Aangekocht in 2012 met steun van de Vereniging Rembrandt

In juli 2012 kocht Museum Catharijneconvent in Utrecht twee prachtige 17de eeuwse portretten, mede met steun van het BankGiro Loterij Aankoopfonds van de Vereniging Rembrandt. Omdat Museum Catharijneconvent zich onder meer tot doel stelt met zijn kunstcollectie de geschiedenis van het christendom in Nederland te verbinden aan de actualiteit en context wil geven aan het maatschappelijk debat, zijn de portretten daar mooi op hun plaats. Het verhaal achter deze schilderijen biedt het museum een unieke gelegenheid om de druk op de multiculturele samenleving en religieuze tolerantie in ons land in breder perspectief te plaatsen.

Portretten van het echtpaar Thielen-De Fraeye, 1634

Adriaen Hanneman

Den Haag, 1604 – Den Haag, 1671

De portretschilder Jonson van Ceulen, Elizabeth Beke en hun zoon Cornelis, 1637

Olieverf op doek, 105 x 139,2 cm

Collectie Rijksmuseum Twenthe

Cornelis Jonson van Ceulen I (1593-1661), genoot in de 17de eeuw een aanzienlijke reputatie. Hij werd geboren in Londen, als zoon van protestanten die uit Antwerpen naar Engeland waren gevlucht om te ontkomen aan religieuze vervolging. Zelf ontvluchtte hij zijn geboorteland in oktober 1643, toen Oliver Cromwell de Engelse burgeroorlog inzette. Jonson van Ceulen was toen vijftig en had een succesvolle schilderscarrière van vijfentwintig jaar achter de rug. Met zijn echtgenote Elisabeth Beke en zoon Cornelis vestigde hij zich te Middelburg, Amsterdam en vanaf 1652 in Utrecht. Het gezin is hier afgebeeld in hun Londense tijd door de in Engeland werkzame Adriaen Hanneman. Hij werd evenals Jonson van Ceulen geïnspireerd door Anthonie van Dyck (1599-1641) en vestigde zich later als succesvol portretschilder in Den Haag.

De portretschilder Jonson van Ceulen, Elizabeth Beke en hun zoon Cornelis, 1637

Cornelis Jonson van Ceulen

Londen, 1593 – Utrecht, 1661

De Haagse magistraat, 1647

Olieverf op doek, 285 x 375 cm

Collectie Haags Historisch Museum

In de ontwikkeling van de Nederlandse portretschilderkunst gaf Jonson van Ceulens sierlijke, op Anthonie van Dyck geënte, penseelvoering een aanzet voor de elegante schilderstijl die later in de 17de eeuw zo populair was bij opdrachtgevers in de Republiek. In de competitieve Nederlandse markt voor portretopdrachten zette hij soms zijn Londense herkomst en aldaar gevestigde reputatie in als ‘unique selling point’. Dit monumentale groepsportret van de magistraat van Den Haag uit 1647, signeerde hij bijvoorbeeld als ‘Cornelius Jansen Londini fecit’ (Cornelis Jonson uit Londen heeft dit gemaakt).

De Haagse magistraat, 1647

Cornelis Jonson van Ceulen

Londen, 1593 – Utrecht, 1661

IJsbrand van Diemerbroeck (1609-1674), hoogleraar anatomie aan de Universiteit van Utrecht, 1657

Olieverf op doek, 114 x 91 cm

Collectie Museum Het Valkhof, Nijmegen

aangekocht in 2010 met steun van de Vereniging Rembrandt

In de jaren 1643-1661 werkte Jonson van Ceulen als portretschilder in verschillende Nederlandse steden. Hij moet het nodige hebben gereisd om zijn opdrachtgevers, meestal voorname burgers, te kunnen portretten en lijkt achtereenvolgens te hebben gewoond in Middelburg, Amsterdam en Den Haag. In 1652 vestigde hij zich definitief in Utrecht, waar hij IJsbrand van Diemerbroeck portretteerde in zijn waardigheid als hoogleraar anatomie aan de Utrechtse universiteit. Van Diemerbroeck genoot Europese bekendheid als een deskundige op het gebied van de pestbestrijding. Zijn kennis deed hij op als stadsdokter van Nijmegen, welke stad in 1635 en 1636 ernstig werd getroffen door een pestepidemie.

IJsbrand van Diemerbroeck (1609-1674), hoogleraar anatomie aan de Universiteit van Utrecht, 1657

Cornelis Jonson van Ceulen

Londen, 1593 – Utrecht, 1661

Maria de Fraeye (1605 – 1682), echtgenote van Willem Thielen, 1634

Olieverf op paneel, 78,7 x 62,7 cm

Collectie Museum Catharijneconvent

Aangekocht in 2012 met steun van de Vereniging Rembrandt

Maria de Fraeye draagt in haar portret een zwart kostuum met lage halsuitsnijding, waarin een geborduurde neerstik is verwerkt, om haar hals een grote plooikraag en op het hoofd - over een witkanten mutsje - een zwarte hoed met brede rand en hoge bol. Haar voorkomen is een mooi voorbeeld van de manier waarop de 17de-eeuwse Nederlandse protestanten in Engeland vasthielden aan eigen tradities. De kraag was ook in de Lage Landen heel gangbaar, maar het fraai geborduurde borststuk is typisch Engels. Ook de wijdgerande hoed is een karakteristiek Engels accessoire, dat nauwelijks werd gedragen door dames in de Nederlandse Republiek. Daar had de hoed een symbolische status die was voorbehouden aan mannen.

Maria de Fraeye (1605 – 1682), echtgenote van Willem Thielen, 1634

Cornelis Jonson van Ceulen

Londen, 1593 – Utrecht, 1661

Maria de Fraeye (1605 – 1682), echtgenote van Willem Thielen, 1634

Olieverf op paneel, 78,7 x 62,7 cm

Collectie Museum Catharijneconvent

Aangekocht in 2012 met steun van de Vereniging Rembrandt

Maria de Fraeye draagt in haar portret een zwart kostuum met lage halsuitsnijding, waarin een geborduurde neerstik is verwerkt, om haar hals een grote plooikraag en op het hoofd - over een witkanten mutsje - een zwarte hoed met brede rand en hoge bol. Haar voorkomen is een mooi voorbeeld van de manier waarop de 17de-eeuwse Nederlandse protestanten in Engeland vasthielden aan eigen tradities. De kraag was ook in de Lage Landen heel gangbaar, maar het fraai geborduurde borststuk is typisch Engels. Ook de wijdgerande hoed is een karakteristiek Engels accessoire, dat nauwelijks werd gedragen door dames in de Nederlandse Republiek. Daar had de hoed een symbolische status die was voorbehouden aan mannen.

Maria de Fraeye (1605 – 1682), echtgenote van Willem Thielen, 1634

Maerten de Vos

Antwerpen, 1532 – Antwerpen, 1603

Mozes met de wetstafelen, omringd door de families Panhuys en Hooftman, ca. 1575

Olieverf op paneel, 171.5 x 257 cm

Collectie Museum Catharijneconvent(bruikleen Mauritshuis)

In het midden van dit monumentale groepsportret met de Antwerpse families Panhuys-Hooftman en hun vrienden, zien we tussen Mozes’ stok en de man met de rode mantel ene Johan Radermacher (1538-1617). Hij was een gerenommeerd humanist-koopman en speelde als ouderling en diaken een belangrijke rol in de beginjaren van de hervormde congregaties van Londen, Aken en Middelburg. Radermacher was echter ook de grootvader van Maria de Fraeye. De hereniging van Maria met haar beroemde grootvader, legt dus tevens een verbinding tussen de 16de- en 17de eeuwse geschiedenis van de protestantse Nederlandse gemeenschap in Londen.

Mozes met de wetstafelen, omringd door de families Panhuys en Hooftman, ca. 1575

Crispijn de Passe II

Keulen, ca. 1597 – Amsterdam, 1670

Vrouw van een Londense koopman, 1641

Gravure, 8,1 x 6,2 cm

Collectie Universiteitsbibliotheek Amsterdam

Aan Maria de Fraeye’s opvallende dracht is goed te zien dat de verregaande culturele betrekkingen tussen Nederland en Engeland zich niet beperkten tot de portretschilderkunst. De wederzijdse beïnvloeding was in de eerste helft van de 17de eeuw heel veelzijdig. Zo was de kleding van Nederlandse predikantenvrouwen in Engeland heel anders dan men in de Republiek gewend was en zelfs nagenoeg gelijk aan het kostuum van de Londense koopmansvrouw in deze gravure van Crispijn de Passe.

Vrouw van een Londense koopman, 1641

Frans Hals

Antwerpen, circa 1580 – Haarlem, 1666

Nicolaas Stenius (1605-1670), pastoor te Akersloot, 1650

Olieverf op doek, 100 x 75,5 cm

Collectie Museum Catharijneconvent

Portretopdrachten van religieuzen beperkten zich in de Republiek niet strikt tot schilders van de eigen geloofsovertuiging. Een treffend voorbeeld is het portret van Nicolaas van der Steen (in het Latijn: Stenius), een van de weinige katholieke geestelijken die Frans Hals schilderde. Stenius was pastoor van Akersloot en werd hier als geleerde aan zijn schrijftafel geportretteerd. In 1657 verscheen van zijn hand een boek waarin de tot dan toe genomen besluiten van het Concilie van Trente (1545-1563) werden toegelicht. Een jaar eerder was Stenius, die min of meer in het geheim moest werken, nog in handen gevallen van de baljuw. Nadat aan de baljuw een aanzienlijk bedrag was betaald, gedoogde hij dat Stenius doorging met zijn godsdienstoefeningen.

Nicolaas Stenius (1605-1670), pastoor te Akersloot, 1650

Jacob Adriaensz. Backer

Harlingen, 1608 – Amsterdam, 1651

Johannes Wtenbogaert (1557-1644), remonstrants predikant te Den Haag, 1638

Olieverf op doek, 122,5 x 98 cm

Collectie Museum Catharijneconvent (bruikleen Remonstrantse Gemeente Amsterdam)

Terwijl Willem Thielen behoorde tot de meer strikte aanhangers van het theologische werk van Calvijn, was de Utrechtse predikant Johannes Wtenbogaert voorstander van een vrijzinnigere geloofsopvatting. In het protestantse debat tussen de ‘rekkelijken en preciezen’, was hij opsteller van het bezwaarschrift tegen de leer van de gereformeerde kerk waaraan de remonstranten hun naam ontlenen, de Remonstrantie (1610). Hij woonde de kerkelijke vergaderingen bij in de refter van het Utrechtse Catharijneconvent, een voormalig Johannieterklooster en tegenwoordig onderkomen van het gelijknamige museum. Backer portretteerde de ruim tachtig jaar oude, breekbare Wtenbogaert schrijvend aan een tafel, met daarop enkele boeken, een pamflet en een inktpot. Slechts enkele jaren later, in 1644, overleed hij in zijn geboorteplaats Utrecht. Hij werd er ‘onder groot klokgelui’ begraven in de Domkerk.

Johannes Wtenbogaert (1557-1644), remonstrants predikant te Den Haag, 1638

Portretten Cornelis Jonson van Ceulen, 1634

Creditline

Vereniging Rembrandt

Mondriaan Fonds

Creditline
← Ga terug