In het kader van de actie De kracht van onze Nederlandse collecties organiseren musea door heel Nederland dit jaar speciale collectiepresentaties. Wij lichten elke maand een van die presentaties uit, via een interview. Deze maand is dat interview met Duncan Bull, senior conservator buitenlandse schilderkunst in het Rijksmuseum. In gesprek met Hilbert Lootsma vertelt hij over een intrigerend portrettweeluik van de Italiaanse renaissance-kunstenaar Piero di Cosimo, dat het museum in permanent bruikleen heeft van het Mauritshuis.

597 A0051 verkleind
Portretten in de vorm van een tweeluik en dan ook nog van twee mannen, is dat niet raar?

‘Portrettweeluiken uit de renaissance zijn inderdaad meestal van echtparen, exemplaren van twee mannen zijn heel zeldzaam. Het handjevol dat bewaard is gebleven, zijn doorgaans fragmenten uit reeksen voorouderportretten, dus reeksen portretten die zijn bedoeld om continuïteit in genealogie te illustreren.’

Hebben deze portretten ook die functie?

‘Dat zou kunnen, maar het is wel belangrijk om hierbij op te merken dat het werk oorspronkelijk niet was bedoeld als tweeluik. Uit technisch onderzoek is gebleken dat het linker portret, dus dat van de zoon, iets eerder is geschilderd en er aanvankelijk ook anders uitzag. Piero di Cosimo heeft dat portret op een aantal punten aangepast om het visueel beter te laten verbinden met dat van zijn vader. Zo heeft hij de strook stof op de voorgrond overgeschilderd, nu met de strepen naar rechts, om het perspectief overeen te laten komen met dat op het andere paneel. Pas toen werden ook de passer en ganzenveer toegevoegd.’

De man op het rechter paneel is duidelijk van hoge leeftijd, maar ik vind de man op het linker paneel er ook best oud uitzien. Weten we wel zeker dat we kijken naar portretten van een vader en zoon?

‘Dat weten we zeker, ja. Sluitend bewijs daarvoor wordt geleverd door Giorgio’s Vasari’s boek Levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (1550) en een recent ontdekte 16de-eeuwse inventaris, waarin de geportretteerden bij hun namen worden genoemd. Dat je de zoon er oud uit vindt zien, komt denk ik vooral door zijn grijze haar. Ik herinner mij nog goed dat ik in 2006 in Italië in de trein zat naar Vicenza, waar ik een presentatie over dit werk mocht houden, en in dezelfde coupé toen een paar veertigers met volledig zilvergrijs haar zag zitten. Dit soort ‘peper-en-zout-haar’ komt bij Italiaanse mannen op middelbare leeftijd vaker voor dan bij Nederlandse mannen.’

OK, tijd om te vertellen wie ze zijn.

‘De man op het linker portret is Giuliano da Sangallo, dé architect in Florence rond 1500. Zijn vader op het rechter portret is Francesco Giamberti da Sangallo, die zowel architect als musicus was. Piero gaf hen allebei attributen die bij deze vakken horen: een passer en ganzenveer bij Giuliano en een blaadje met muzieknoten bij Francesco. Daarmee behoren deze portretten tot de eerste waarin de geportretteerden worden gekarakteriseerd door hun beroep, niet door hun afkomst of status. Dat maakt ze extra intrigerend, want hiermee staat dit tweeluik aan het begin van een humanistische denkwijze, een manier van denken waarin de mens en zijn intellectuele inspanning centraal staat.’

Ik heb een vraag van Rembrandtlid Gerard uit Amsterdam. Hij wil graag weten of het portret van de vader daadwerkelijk is geschilderd naar een dodenmasker.

‘Het maken van afgietsels van de hoofden van overledenen leefde op in Italië in de 15de eeuw. In tal van Florentijnse huizen in die tijd stonden bustes van overleden familieleden gemaakt naar hun gipsen dodenmaskers of waarin die dodenmaskers waren geïncorporeerd. Dat het portret van Francesco is gebaseerd op diens dodenmasker wordt gesuggereerd door de ingezakte wangen en ingetrokken mond en ook, dat is in ieder geval mijn gedachte, de omgevouwen oorschelp. Het lijkt alsof die wordt veroorzaakt door de rode muts, maar kan net zo goed het resultaat zijn van het afgieten van het dodenmasker. De natte gips waarmee het gezicht bij dit proces werd bedekt, werd namelijk gefixeerd met een doek die om de oren werd getrokken, waardoor de oorschelpen naar beneden werden getrokken. Inderdaad zijn er tal van dodenmaskers waarvan de oren deze opvallende vorm hebben.’

Links van het tweeluik heb je een portret opgehangen van de Vlaamse kunstenaar Hans Memling, een tijdgenoot van Piero di Cosimo.

‘Ja, ik ben heel blij dat het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen ons tijdens hun verbouwing dit werkelijk prachtige schilderij wilde uitlenen. Het hangt hier om de bron te laten zien van het portrettype dat Piero heeft gebruikt voor zijn portretten van vader en zoon Da Sangallo, waarmee ik de manier van portretteren bedoel waarbij de geportretteerde ten halven lijve is afgebeeld tegen een landschap in de achtergrond. Dat type is ontwikkeld in Vlaanderen in het derde kwart van de 15de eeuw en Hans Memling wordt algemeen beschouwd als de bedenker hiervan. Ook in Italië werd dit type een hit. Vanaf de jaren 1490 tot in de 16de eeuw was de elite het haast aan zijn stand verplicht om zich te laten portretteren met een landschap op de achtergrond.’

Hoe bijzonder dit tweeluik van Piero di Cosimo ook is, het Rijksmuseum heeft duizenden werken die het verdienen uitgelicht te worden. Waarom viel de keuze op dit werk?

‘Veruit de meeste bezoekers van het Rijksmuseum komen voor de Nederlandse 17de-eeuwse schilderkunst, in het bijzonder de Rembrandts en Vermeers. Wat velen niet beseffen is dat het museum ook een goede collectie buitenlandse schilderkunst heeft, een collectie overigens die de Vereniging Rembrandt heeft helpen opbouwen. Die collectie is weliswaar veel kleiner, maar er zitten wel enkele absolute topstukken tussen, waaronder dit bijzondere tweeluik. Ik ben zelf afkomstig uit Groot-Brittanië en terwijl ik daar woonde kon ik in The National Gallery in Londen en ook in een aantal regionale musea topstukken zien van schilderkunstige tradities uit heel Europa. Dat was heel waardevol, want zo kwam ik in contact met totaal verschillende manieren van denken over kunst en het leven. Het Rijksmuseum is een ander soort museum dan The National Gallery, maar we willen wel graag onze bezoekers ervaringen bieden die hen helpen bij het verbreden van hun horizon. Dit soort focuspresentaties is volgens mij een uitstekend instrument daarvoor.’


Deze presentatie is te zien in het Rijksmuseum tot en met 15 december 2020. Benieuwd welke 44 andere musea dit jaar met steun van de Vereniging Rembrandt en de Turing Foundation de kracht van hun eigen collecties uitlichten? Klik hier.

Foto's: Kelly Schenk

Bekijk ook

Een interview met Fredric Baas en Marte Rodenburg

Vase femme & B.C. Orange
Design Museum 1
©