Nalaten aan de Vereniging Rembrandt voelt vanzelfsprekend voor Paul Schnabel (75). De doelstelling van de Vereniging en het vertrouwen dat zij zorgvuldig zal omgaan met zijn nalatenschap gaven voor hem de doorslag.

Paul Schnabel heeft een jaloersmakende energie. Tien jaar na zijn pensionering, waarin hij onder andere Eerste Kamerlid voor D66 en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht was, is hij nog altijd actief als bestuurder voor verschillende organisaties, geeft hij lezingen en rondleidingen en publiceert hij over wat hem als socioloog bezighoudt. In 2018 verscheen zijn boek Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht en vorig jaar waagde hij zich buiten zijn vakgebied met een kloeke publicatie over 17de-eeuwse kunst: Anders gekeken. Het beste en het boeiendste uit de Hollandse schilderkunst van de Gouden Eeuw.

Een eigen verzameling

Die belangstelling voor beeldende kunst was er al vroeg, al groeide Schnabel op in Breda, waar in de jaren zestig naar eigen zeggen weinig te beleven was op kunstgebied. Een oma die hem bij logeerpartijen in Den Haag meenam naar het Mauritshuis, een oom die schilderde en de encyclopedie thuis voedden zijn belangstelling. Als jongetje van twaalf, dertien jaar maakte hij een lijst met kunstenaars van wie hij later een werk zou willen bezitten in zijn gedroomde verzameling. De Rembrandts en de Van Goghs waarover hij in zijn gretigheid fantaseerde zijn er nooit gekomen, maar die eigen collectie kwam er wel.

In ongeveer drie decennia bouwde Schnabel een verzameling op van enkele tientallen schilderijen uit de 17de, 18de en eerste helft van de 19de eeuw. Grotendeels kleine meesters. Alles komt van veilingen, waaronder van de Amsterdamse vestigingen van Sotheby’s en Christie’s, die tot zijn spijt geen oude meesters meer veilen in Nederland. De vroegste aankoop is een Hieronymus in zijn cel van de Utrechtse kunstenaar Pieter Christoffel Wonder die hij in de jaren negentig kocht, de laatste een romantisch riviergezicht van Wijnand Nuijen. Dit werk bleef dit voorjaar onverkocht op een Haagse veiling en was daarom voor een relatief laag bedrag te bemachtigen, vertelt Schnabel trots. Aan de wanden van zijn huis is inmiddels nauwelijks ruimte meer; bij elke nieuwe aankoop moet hij andere werken verhangen. ‘Gemiddeld koop ik één schilderij per jaar, al was dit jaar extreem met drie aankopen, waaronder die Nuijen. Ik heb nog nooit een werk verkocht. Er zijn er wel een paar waarvan ik achteraf denk: die had ik niet moeten kopen, maar meestal ben ik heel tevreden.’

De verzameling laat een voorliefde zien voor het werk van de Utrechtse caravaggisten en een meer dan gemiddelde belangstelling voor 18de-eeuwse schilderkunst. Veel figuurstukken, enkele landschappen en stillevens, één zeegezicht. ‘Ik koop heel intuïtief. Daarbij let ik natuurlijk op de prijs, maar geleidelijk ben ik steeds meer gaan kijken hoe ik ook recht kan doen aan de ongelooflijke rijkdom aan onderwerpen en specialismen in de Hollandse schilderkunst. Een architectuurstuk heb ik bijvoorbeeld nog niet. Laatst zag ik een kerkinterieur, volgens de veilingcatalogus 18de-eeuws, maar ik dacht: dat moet Houckgeest of Van Vliet zijn. Maar iemand anders had dat ook gezien. Het bieden begon met duizend euro, maar de prijs vloog omhoog en op een gegeven moment moest ik het laten gaan. Achteraf bleek dat ik tegen een handelaar had opgeboden.’

Portret Paul Schnabel
© Sander van den Bosch
Herziening testament

Dit voorjaar werd hij 75 jaar. Het naderen van die leeftijd bracht Schnabel ertoe om na te denken over zijn nalatenschap, waarbij een eerder testament werd herzien. ‘Op een paar legaten en wat familiestukken na gaat alles naar de Vereniging Rembrandt. Met mijn nalatenschap wordt een Fonds op Naam ingesteld voor de aankoop van Nederlandse schilderkunst,’ zegt hij. ‘Voor mij is dit een heel logische constructie. Ik heb geen kinderen, ik ben alleen. Nalaten aan een ANBI (een algemeen nut beogende instelling) kan ik zeker iedereen aanraden. Dat is belastingvrij. Juist zonder partner of kinderen wordt de erfbelasting algauw hoog en voor de afhandeling van een collectie is deskundigheid nodig. De keuze voor de Vereniging Rembrandt was voor mij om die twee redenen evident. Het is de enige organisatie in Nederland die zich uitdrukkelijk richt op particuliere mecenassen voor het openbaar kunstbezit. Ik ben al zo’n dertig jaar lid. Vooral de laatste twintig jaar heeft de Vereniging het heel goed gedaan, met het organiseren van Rembrandtlezingen, cirkelgezelschappen en het interesseren van jonge leden.’

Omdat Schnabel vermoedde dat een aantal van zijn schilderijen interessant zou kunnen zijn voor een museum en hij niet wilde dat alles zomaar zou worden geveild, nam hij twee jaar geleden contact op met de Vereniging Rembrandt. Doel was om te kijken of zich onder zijn schilderijen stukken van museale waarde bevinden, wat het geval bleek. De Vereniging zal te zijner tijd met hulp van een expert haar best doen een geschikte museale bestemming te vinden voor die werken.

Zelf heeft Schnabel daar wel ideeën over en die legt hij ook vast voor de Vereniging Rembrandt. Hij wijst op een schilderij van een jonge vrouw met een kind van Reyer van Blommendael. ‘Een kleine, maar goede Haarlemse meester. Het Frans Hals Museum heeft wel een werk van hem, maar dat is niet erg typisch voor zijn stijl en minder mooi dan mijn schilderij.’ De Sint-Sebastiaan die Adriaen van der Werff – Rotterdammer en in zijn tijd een van de beroemdste schilders van het land – in 1700 maakte voor de keurvorst Johann Wilhelm von der Pfalz zou niet misstaan in de verzameling van Museum Boijmans Van Beuningen, merkt Schnabel op, en voor de goed bewaarde Kerstnacht van Gerard Hoet op koper denkt hij aan Museum Catharijneconvent.

'Je moet afstand kunnen nemen van iets wat voor jou belangrijk is.'

Een Fonds op Naam

Tegelijkertijd is hij realistisch genoeg om te beseffen dat niet al zijn schilderijen een plek in een museum zullen krijgen. Omdat ze niet in de collectie of in het verzamelbeleid passen, omdat het museum vergelijkbare werken heeft, of eenvoudigweg omdat de kwaliteit onvoldoende is. ‘Ik vind het heel logisch dat ze niet alles kunnen en willen aanvaarden. Musea zijn selectief en dat is terecht.’ In zijn omgeving heeft hij meermalen meegemaakt dat het voor verzamelaars – of dat nu om platen, cd’s, boeken of kunst ging – moeilijk was om te accepteren dat familieleden of organisaties daar geen interesse voor hadden. ‘Ik heb eens gesproken met verzamelaars die over een lange periode een grote collectie met werk van één hedendaagse kunstenaar bijeengebracht hadden en dat als totaal aan een bepaald museum wilden nalaten. Ik heb meteen gezegd: dat gaat niet lukken, geen museum zegt daar ja op. Misschien wil een museum één of twee stukken hebben, maar geen karrenvrachten aan materiaal. Je merkt dan dat dat pijnlijk is. Je moet afstand kunnen nemen van iets wat voor jou belangrijk is, omdat het gaat over jouw persoonlijke keuzes en overwinningen, en accepteren dat het voor iemand anders niet dezelfde kleur en herinneringen heeft. Alles wat ik heb, is keurig gedocumenteerd en geregistreerd. Ik laat het aan de Vereniging Rembrandt over om een goede bestemming voor mijn schilderijen te vinden. De rest gaat naar de veiling en dan maar hopen dat het wat opbrengt. De opbrengst wordt toegevoegd aan mijn Fonds op Naam. Dat er met zorg en aandacht zal worden omgegaan met een verzameling die met zoveel liefde is opgebouwd lucht op. En als iets verkocht wordt, dan weet je dat er in ieder geval een keuze is gemaakt.’

Meer informatie?

Ik ben er voor al uw vragen over nalaten.

Foto Leonie 2

Leonie Pels Rijcken, bestuurssecretaris/adjunct-directeur

Bekijk ook

Nalaten

Nalaten
20210305 Rembrandt Maud 107 WEB verkleind